ALGEME TIPS!
Met de TaalTof woordkaarten en de woordslinger kun je dagelijks in een handomdraai met woordenschat aan de slag. Hier geven we per spel in het woordenschrift voorbeelden en uitleg hoe dit te spelen. Daarnaast tips wanneer en hoe je de grabbelzak kunt inzetten. Goed om te weten, met de TaalTof woordkaarten kun je het nooit fout doen, elke discussie rondom een kaart helpt bij het verrijken van de woordenschat bij kinderen.
1. WOORDKASTJE
In het woordkastje ga de kinderen op zoek naar woorden die met elkaar te maken hebben. Ze hebben niet zomaar met elkaar te maken, ze gaan op zoek naar de tegenstelling. Bijvoorbeeld de tegenstelling van warm is koud en van groot is klein.
Jij als leerkracht zal de kinderen ideeën geven over welk onderwerp ze het woordkastje moeten invullen. Denk hierbij aan een thema waar je mee bezig bent en vraag of ze voor de woorden uit het thema een tegenstelling kunnen bedenken. Snappen ze het woord niet, laat ze de woordkaart uit de woordendoos opzoeken en vraag ze individueel of in groepjes een tegenstelling te bedenken en allemaal op te schrijven in het woordenschrift in het woordkastje.
Bijvoorbeeld:
Fors Teer
Gescheiden Krioelen.
De oorzaak het gevolg
Bovenop Onderop
Vertrekken arriveren
2. BINGO
Om een bingo te kunnen spelen heb ben de kinderen het volgende nodig:
1 . de bingokaart,
2. de fiches genummerd 1 tot en met 20 en
3. het woordenschrift.
De omschrijvingen bij instructie leerkracht zijn genummerd, noem dit nummer ook altijd, want op die manier is de bingo achteraf te controleren. Niet alle bingokaarten zijn hetzelfde, dus let op! Als het goede antwoord niet op de bingokaart staat moet het kind het fiche apart leggen en niet op de bingo kaart.
Aan het einde van de bingo schrijft iedereen het woord over van de bingokaart dat onder fiche 1 ligt bij nummer 1 in het woordenschrift, daarna het woord onder fiche 2 enzovoort. De fiches die niet op de bingokaart liggen maar ernaast, bij die nummers zetten ze een kruisje in het woordenschrift.
Geef bij de start duidelijk aan welke Bingokant je gaat spelen, de kant met het roze bolletjes of het groene bolletje. Geef ook duidelijk aan of je de hele bingo speelt of een gedeelte 1 t/m 5 of 10 t/m 15 etc. Je kunt de moeilijkheid voor hogere groepen verhogen door de omschrijvingen niet op volgorden van 1 naar 20 te doen maar kriskras door elkaar. Laat de kinderen aan het einde hun antwoorden in het woordenschrift bij Bingo opschrijven. Je kunt de bingo meerdere keren spelen, herhaling is juist goed. En door steeds een gedeelte te spelen neemt de bingo ook niet te veel tijd in beslag en is het gewoon even een leuke onderbreking, en zijn de kinderen spelenderwijs met woordenschat bezig.